loading

Verkeersregels

De verkeersregels beschrijven hoe een weggebruiker zich moet gedragen op de openbare weg, hieronder vallen verplichten maar ook advies om zo verstandig en veilig mogelijk te rijden. Alle weggebruikers moeten de verkeersregels goed kennen en toepassen.


Veiligheid

Om de veiligheid van de passagiers en de bestuurder te verbeteren, zijn er een aantal veiligheidssystemen aanwezig in uw voertuig. Hieronder vind je de belangrijkste.

Gordel

Draag altijd je gordel en zorg dat alle passagiers hun gordel of kinderbeveiliging gebruiken.



Kinderbeveiliging

Kinderen tot 18 jaar en kleiner dan 1m35 moeten in een aangepast veiligheidszitje vervoerd worden. Zijn ze groter dan 1m35, dan mogen ze in een veiligheidszitje plaatsnemen.



Airbag

De airbag wordt met bij een botsing of hevige impact heel snel opgeblazen. De airbag vormt zo een beschermend kussen en helpt de passagiers tegen verwondingen.



ABS

Nieuwere voertuigen zijn meestal uitgerust met een "Antilock Braking System" (ABS). Raadpleeg de handleiding van uw voertuig voor meer informatie hoe u ABS kunt gebruiken. Het ABS systeem zorgt ervoor dat u het voertuig kan stoppen zonder te slippen. Het ABS systeem treedt in werking wanneer u heel snel moet stoppen en het rempedaal hard indrukt.

Als je snel wil stoppen, moet je in het algemeen het rempedaal zo hard mogelijk indrukken en ingedrukt houden. Je voelt misschien het rempedaal een beetje terug duwen wanneer het ABS systeem in werking treed. Laat het rempedaal niet los. Het ABS systeem werkt enkel als het rempedaal naar beneden is gedrukt.

Als je snel wil stoppen en geen ABS systeem hebt, dan kan het voertuig beginnen te slippen. Probeer zo hard mogelijk te remmen zonder dat de wielen blokkeren. Als de wielen toch blokkeren begint het voertuig te slippen, laat dan het rempedaal snel los. Als het voertuig stopt met slippen, druk het rempedaal opnieuw in. Doe dit tot het voertuig tot stilstand komt.



ESP

Het "Electronic Stability Program" (ESP) helpt de bestuurder het voertuig onder controle te houden wanneer het in een kritieke situatie dreigt te slippen. Een microcomputer controleert de signalen van de ESP-sensoren en controleert 25 keer per seconde, of de stuur invoer van de bestuurder overeenkomt met de werkelijke richting waarin het voertuig rijdt. Als het voertuig in een andere richting rijdt, detecteert ESP de kritieke situatie en reageert onmiddellijk. Het maakt gebruik van het remsysteem van het voertuig om het voertuig te stabiliseren. ESP gaat de wielen afzonderlijke afremmen waardoor het voertuig gestabiliseerd wordt en in de juiste richting gestuurd wordt.